
Je hebt je verhaal voorbereid.
Sterker nog, je kunt het inmiddels bijna achterstevoren.
Dan hoor je:
‘En dan geef ik nu het woord aan jou.’
Je schuift je stoel naar achteren. Je benen voelen ineens opvallend onbetrouwbaar, je mond is droog en alles wat je vijf minuten geleden nog wist, lijkt zonder overleg te zijn vertrokken.
Behalve deze gedachte:
Ik wil naar huis.
Je staat op, voelt je hart tegen je borstkas tikken en trekt direct je conclusie:
Zie je wel. Ik kan dit niet.
Terwijl je lichaam eigenlijk alleen maar zegt dat het spannend is.
Dat is toch net even iets anders.
Angst begint meestal niet op het moment zelf
Was het maar zo.
Dan was je in ieder geval de dagen ervoor nog gezellig gezelschap.
Maar nee, angst begint vaak al ruim van tevoren. Terwijl je in bed ligt, onder de douche staat of zogenaamd naar iemand luistert tijdens een vergadering.
Je voert het gesprek alvast in je hoofd.
Je hoort jezelf het verkeerde antwoord geven.
Je ziet iemand kijken.
Niet eens boos. Gewoon kijken.
Meer heeft je hoofd niet nodig. Voor je het weet ben je afgewezen, ontslagen en woon je in een stacaravan omdat je tijdens één presentatie niet direct op een woord kon komen.
Het gaat soms wat snel daarboven.
Je lichaam reageert ondertussen vrolijk mee. Hoge adem, strakke borstkas, onrustige buik.
Misschien worden je handen koud of juist klam en lijken je knieën even niet meer op de hoogte van hun belangrijkste taak.
Namelijk: blijven staan.
Dat voelt als bewijs dat er iets misgaat.
Maar het is geen voorspelling.
Het is een alarm.
Je brein maakt geen verschil tussen echt gevaar en wat jij je voorstelt of inbeeld.
Je weet met je verstand waarschijnlijk best dat een presentatie, telefoongesprek of rit op je paard niet levensgevaarlijk is.
Je hebt erover nagedacht.
Jezelf toegesproken.
Misschien zelfs tegen jezelf gezegd dat je je niet zo moet aanstellen, wat doorgaans enorm helpt bij angst. Bijna net zo goed als ‘word eens rustig’ tegen iemand roepen die in paniek is.
Je hoofd begrijpt het dus vaak prima.
Alleen reageert je lichaam nog alsof er wél iets ernstigs staat te gebeuren.
En op het moment dat die reactie begint, ga jij er betekenis aan geven:
Mijn hart gaat snel, dus het gaat fout.
Mijn handen trillen, dus iedereen ziet dat ik onzeker ben.
Ik voel paniek, dus ik moet hier weg.
Logisch dat je dan wilt stoppen.
Maar daarmee leert je lichaam niet dat het veilig was. Het leert vooral dat vluchten blijkbaar nodig was.
En dus ga je vermijden
Je zegt de presentatie af.
Je laat iemand anders bellen.
Zodra je die beslissing hebt genomen, zakt de spanning.
Hè hè.
Opgelucht.
Alleen denkt je brein nu niet:
Wat grappig, er was eigenlijk niets aan de hand.
Het denkt:
Goed dat we zijn weggegaan. Dat was op het nippertje.
Dus komt de angst de volgende keer gewoon terug. Vaak nog iets eerder, want je interne beveiliging is inmiddels lekker op dreef.
En zo wordt je wereld steeds iets kleiner.
Eerst vermijd je één presentatie. Daarna zeg je liever helemaal niets meer tijdens een overleg.
Eerst stel je één telefoontje uit. Een week later heb je een complete administratie opgebouwd rondom het níét bellen.
Best veel werk eigenlijk, vermijden.
Je hoeft niet eerst zeker te zijn
Veel mensen wachten tot de angst weg is.
Dan gaan ze het doen.
Als ze meer zelfvertrouwen hebben.
Als hun lichaam rustig blijft.
Als ze zeker weten dat het goed gaat.
Dat kan even duren.
Zelfvertrouwen verschijnt namelijk meestal niet vóórdat je iets doet. Het ontstaat doordat je iets hebt gedaan en ontdekt:
O, ik kon dit dus wel.
Misschien niet perfect.
Misschien met een droge mond en knieën die zich er ongevraagd mee bemoeiden.
Maar wel gedaan.
Dat betekent trouwens niet dat je jezelf overal maar hard doorheen moet duwen. ‘Gewoon doen’ klinkt lekker stoer, maar als je lichaam volledig in alarm staat, kan het de ervaring juist bevestigen dat de situatie inderdaad verschrikkelijk was.
Je wilt je lichaam niet overweldigen.
Je wilt het iets nieuws laten leren.
Ik voelde spanning en ik bleef.
Ik kon ademen.
Ik kon nog nadenken.
Ik maakte het af.
En daarna ging iedereen gewoon koffie halen.
Geen ontslag. Geen stacaravan. Niets.
Dit is waarom positief denken vaak niet genoeg is
Je kunt honderd keer tegen jezelf zeggen:
‘Ik kan dit.’
‘Het komt goed.’
‘Dit is een prachtige uitdaging.’
Heel mooi.
Alleen trekt je lichaam zich niet altijd iets aan van een positieve zin op een post-it.
Als de angstreactie onbewust wordt aangestuurd, kun je rationeel precies weten hoe het zit en tóch met klamme handen naast dat scherm staan.
Daarom werk ik als hypnotherapeut niet alleen met wat jij bewust denkt.
We kijken naar wat er onder die reactie gebeurt. Wat jouw onderbewuste heeft gekoppeld aan gevaar, controle verliezen, falen of zichtbaar zijn.
Niet om je te vertellen dat je gewoon dapperder moet worden.
Maar zodat je lichaam niet langer bij iedere spannende situatie doet alsof de sirenes af moeten.
En dan gebeurt er vaak iets bijzonders.
Je hoeft jezelf niet meer eindeloos over te halen.
Je doet het gewoon.
Niet per se fluitend. We hoeven ook weer niet te overdrijven.
Maar je doet het.
Wie neemt de beslissing?
Dus de volgende keer dat je mond droog wordt, je hart sneller gaat en je knieën even twijfelen aan hun functie, trek dan niet direct de conclusie dat je moet stoppen.
Je voelt angst.
Dat betekent niet automatisch dat je in gevaar bent.
En het betekent al helemaal niet dat je iets niet kunt.
Laat je knieën gerust even knikken.
Maar laat ze niet bepalen waar jij wel en niet naartoe gaat.
SNELLE LINKS
Copyright Praktijk Booming Life - 2026